Van eigen bodem

Namens de subgroep Wetenschap volgt op de website en in de nieuwsbrief op regelmatige basis een recent gepubliceerd artikel vanuit een Nederlandse onderzoeksgroep

Differences in treatment and survival of older patients with operable breast cancer between the United Kingdom and the Netherlands e A comparison of two national prospective longitudinal multi-centre cohort studies.
W.G. van der Plas-Krijgsman et.al Eur J Cancer. 2022 Jan 23;163:189-199. 

Eerdere studies hebben aangetoond dat de overlevingsresultaten voor oudere patiënten met borstkanker aanzienlijk variëren in Europa, met een slechtere overleving in Engeland. Een verschil in behandeling werd gesuggereerd als een mogelijke verklaring. Van der Plas et al bekeken 3262 patiënten uit het UK Age Gap cohort en 618 patiënten uit het Dutch Climb cohort met een mediane leeftijd van respectievelijk 77,0 (IQR: 72,0-81,0) en 75,0 (IQR: 72,0-81,0) jaar. De cohorten waren over het algemeen vergelijkbaar, met kleine verschillen in co-morbiditeit en kwetsbaarheid. De mediane follow-up voor de totale overleving was 4,1 jaar (IQR 2,9-5,4) in
Engeland en 4,3 jaar (IQR 2,9-5,5) in Nederland. In Engeland waren zowel de percentages primaire endocriene therapie als adjuvante hormonale
therapie na chirurgie ongeveer tweemaal hoger dan die in Nederland (16,6% versus 7,3%, p < 0,001 voor primaire endocriene therapie en 62,2% versus 38,8%, p < 0,001 voor adjuvante hormonale therapie). Er was geen significant verschil in totale overleving tussen de cohorten (gecorrigeerde HR 0,94, 95% BI 0,74-1,17, p = 0,568).

Conclusies: In tegenstelling tot eerdere studies toonde deze vergelijking van twee grote nationale prospectieve longitudinale multicenter cohortstudies vergelijkbare overlevingsresultaten aan tussen oudere patiënten met borstkanker die in Engeland en Nederland werden behandeld ondanks een verschil in behandeling.

Value of 18F-FDG PET/CT for predicting axillary pathologic complete response following neoadjuvant systemic therapy in breast cancer patients: emphasis on breast cancer subtype. de Mooij et al. EJNMMI Research (2021) 11:116

Neoadjuvante systemische therapie (NST) kan zorgen voor een pathologische complete respons in de oksel. De Mooij et al bekeken de tumor en okseleigenschappen op de baseline 18F-FDG PET/CT’s om te kijken of ze eigenschappen konden vinden om die een pathologische complete respons konden voorspellen.
Zesenzestig patiënten met 69 mammacarcinomen werden in deze studie geïncludeerd. Drieëndertig oksels bevatten ER-positieve/HER2-negatieve, 16 HER2-positieve en 20 TN-borstkanker. In de gecombineerde HER2-positieve/TN-subgroep was de SUVmax op de baseline PET significant lager bij patiënten met een axillaire pathologische complete respons.

Trends in incidence, treatment, survival and subsequent breast cancer in lobular carcinoma in situ in the Netherlands: A population-based analysis
M.C. van Maaren et al. Breast 2021 Aug 02

In het verleden werden alle patiënten bij wie lobulair carcinoom in situ (LCIS) werd gediagnosticeerd behandeld met een operatieve ingreep vanwege de kans op het zijn van, dan wel het ontwikkelen van, een invasief mammacarcinoom. Aangezien deze kans laag is staat tegenwoordig in de Nederlandse richtlijn; ‘Aangezien het gebied met klassiek LCIS niet goed is af te grenzen en het cumulatief risico op progressie naar invasief lobulair carcinoom klein is, wordt vrouwen met klassiek LCIS actieve surveillance, in de vorm van jaarlijkse mammografie voorgesteld.’ Het Nederlandse beleid omtrent LCIS wordt niet overal zo opgevolgd, zo staat deze in contrast met de trend die beschreven is in 2013 in de Verenigde Staten waar steeds vaker een mastectomie werd uitgevoerd bij een klassieke LCIS.

Bovenstaande studie beschrijft met behulp van de Nederlandse Kanker Registratie de patiënten met een klassieke LCIS geïdentificeerd tussen 1989 en 2017. In totaal betrof dit 1890 patiënten waarbij de gemiddelde follow-up 8.5 jaar was.
Met de verandering in het beleid blijkt ook het aantal operaties in Nederland voor LCIS fors verminderd van 100% naar 41%. 10 jaar OS (overal survival) en 20 jaar RS (relative survival) waren in alle groepen meer dan 90. In totaal werden er 48 (2,5%) patiënten gediagnosticeerd met DCIS en 270 (14,3%) patiënten met invasief mammacarcinoom. Indien er sprake was van een mammacarcinoom werd deze meestal in een vroeg stadium gediagnosticeerd. Na een ablatio presenteerden 13 van de 14 nieuw gediagnosticeerde mammacarcinomen zich contralateraal. In de andere groepen was 64,8-70,9% van de mammacarcinomen ipsilateraal, en 34,5-53,9% hiervan was lobulair. De SIR (standardised incidence ratios) van ipsilaterale mammacarcinoom was het hoogst indien er geen operatie was verricht (6.9, 95%CI:4.9-9.4), het laagst na een ablatio (0.2, 95%CI:0.4-0.8).

De conclusies van het artikel is dat de incidentie van LCIS is toegenomen en de chirurgische interventies voor LCIS is afgenomen, Het lage sterfterisico maakt dat actieve follow-up geoorloofd lijkt. De verhoogde incidentie op invasieve borstkanker maakt echter dat deze follow-up daadwerkelijk wel geïndiceerd lijkt.

Minimally Invasive Complete Response Assessment of the Breast After Neoadjuvant Systemic Therapy for Early Breast Cancer (MICRA trial): Interim Analysis of a Multicenter Observational Cohort Study

A.A van Loevezijn et al Ann Surg Oncol. 2021 Jun;28(6):3243-3253.473

Het is de vraag of borstkankerpatiënten met een pathologische volledige respons (pCR) na neoadjuvante systemische therapie (NST) daadwerkelijk nog wel geopereerd moeten worden. Op dit moment is alleen beeldvorming nog niet goed genoeg is om het bekijken bij welke patiënten er daadwerkelijk sprake is van een pCR. In drie Nederlandse ziekenhuizen is de nauwkeurigheid van echogeleide biopsieën, voorafgaand aan de operatie, onderzocht om te zien of dit een nauwkeurige methode is om te bepalen of er bij een patiënt sprake is van pCR.

Pre-operatieve biopten werden verkregen bij 167 patiënten, van wie 136 op de MRI radiologische complete respons hadden en 31 radiologische partiele respons. Uiteindelijk bleek dat negenentachtig patiënten een pCR hadden (53%; 95% BI 45–61). 78 patiënten hadden nog restziekte. Uiteindelijk bleek dat de biopten fout-negatief waren bij 29 van de 78 patiënten (37%; 95% BI 27–49). Hiermee werd in de MICRA-studie aangetoond dat pre-operatieve biopten niet nauwkeurig genoeg zijn om pCR te beoordelen bij patiënten met een goede respons op MRI na NST. Daarmee zijn we nog niet in staat zien om te onderzoeken of we de operatie achterwege kunnen laten indien biopten het vermoeden suggereren een pCR.

Public Perceptions of Physician Attire and Professionalism in the US.
Xun et al, JAMA Netw Open. 2021;4(7):e2117779. 

Steeds vaker vraagt men zich af of we in de huidige tijd nog wel een witte jas aan moeten in de spreekkamer. Wat voor een invloed heeft onze ‘witte jas’ op de patiënt? En maakt het dan voor de perceptie van de patiënt nog uit of er een man of een vrouw tegenover hem of haar zit? Bovenstaande studie beschrijft 487 enquêtes waarbij foto’s getoond werden van zowel mannelijke als vrouwelijke artsen in zakelijke kleding, witte jas en OK kleding. De enquêtes zijn afgenomen bij zowel vrouwen (53%) als mannen. In de conclusie van het artikel zijn ze resoluut; de respondenten van de enquête beoordeelden de artsen die geen witte jas droegen als minder professioneel en ervaren dan artsen die wel een witte jas droegen.
Maar nog opmerkelijker, vrouwen werden, ongeacht de kledingkeuze als minder professioneel beoordeeld dan hun mannelijke tegenhangers (gemiddelde [SD] professionaliteitsscore: mannen, 65,8 [25,4]; vrouwen, 56,2 [20,2]; P < .001). Verder werd de vrouw door meer respondenten aangezien als medisch technicus (39 [8,0] versus 16 [3,3%]; P < 0,005), arts-assistent (56 [11,5%] versus 11 [2,3%] ; P < .001), of verpleegkundige (161 [33,1%] vs 133 [27,3%]; P = .050).

Kortom ondanks de enorme toename van vrouwelijke artsen, blijkt er uit Amerikaans onderzoek dat er nog winst te behalen valt, in de perceptie van de patiënt omtrent de professionaliteit van de vrouwelijke arts. Uiteraard is niet bekend of bovenstaande resultaten reproduceerbaar zijn binnen de Nederlandse mammachirurgie.